In mijn brief “Sorry, lief kind” sprak ik met en over het anders lerende kind. Honderden emotionele reacties van moeders uit alle uithoeken van Nederland waren een gevolg van het moment waarop ik aan de keukentafel simpelweg een eerlijke brief schreef aan het kind in mezelf.

De moeders van deze anders lerende kinderen hebben het vaak best zwaar: zij leveren dagelijks een strijd om hun kind te laten leren en groeien; een strijd die voor andere moeders wellicht niet in te beelden is.

De zoektocht is vaak vermoeiend, want: waar moet je naar toe als je kind niet “mee kan met de meute”? Waar begin je? Logopedie? Ergotherapie? Kinderpsycholoog? Naar de huisarts? Een psychiater? Een kindercoach? De keuze is reuze. Vaak veel té reuze zelfs.

Het web van zorgaanbieders en mogelijkheden is voor de nietsvermoedende moeder vaak simpelweg ingewikkeld. Soms zelfs overweldigend. Niet altijd schakelt de huisarts de juiste hulp in, niet altijd wordt de juiste diagnose gesteld, niet altijd helpt de diagnose ook richting de juiste hulp. Waar mensen werken worden immers ook wel eens fouten gemaakt.

Terwijl de ontwikkeling op gang komt richting het vinden van de juiste hulp voor je kind, kan deze zich helaas ook tegen je keren. Misdiagnose, van het kastje naar de muur gestuurd worden; moeders en vaders rijden vaak urenlang stad en land af op zoek naar de juiste begeleiding, of dit nu op medisch gebied is of op het gebied van gedragsproblemen en leerproblemen, soms gecombineerd.

Ik werd bijvoorbeeld eens voor mijn kind naar een organisatie gestuurd die haar zouden kunnen begeleiden met een specifiek leerprobleem. Ik nam verlof, reed er naar toe, praatte anderhalf uur met de mevrouw van die organisatie, waarna we tot de conclusie kwamen dat ik totaal verkeerd terecht was gekomen: zij boden helemaal geen leerbegeleiding, zij boden gezinsbegeleiding.

Na dat uur wist die mevrouw net zo zeker als ik dat dat niet was wat wij specifiek nodig hadden. Haar collega had toen ik belde ook niet goed geweten wat ze met mijn kritische vragen moest, want ze hadden net een reorganisatie achter de rug en er was een hoop onduidelijkheid. Niets ten nadele van die mevrouw – ze leek me kundig in haar werk – wilde ik als moeder zijnde al niet meer met deze organisatie samenwerken, als zij zelf nog niet eens precies wisten wat hun zorgaanbod was.

Als ouders moet je tegenwoordig behoorlijk mondig zijn om je staande te houden in de zoektocht naar hulp voor je kind. Meedenken moet je sowieso, dat is je taak als ouder, vind ik.

Veel ouders zoeken, zoeken, zoeken en zoeken nog eens. Het kind krijgt vaak onderweg diverse labels opgeplakt, diagnoses worden herroepen, wat het taboe rondom diagnoses (in de volksmond etiketjes en labels) helaas ook alleen maar doet groeien. Toch zoeken ouders door, hopend op het moment dat hun kind eindelijk de hulp krijgt die nodig is, op welk gebied dat dan ook is.

Zorgaanbieders concurreren, reorganisaties binnen grote organisaties volgen elkaar in een rap tempo op en terwijl dat allemaal gebeurt, groeit de onduidelijkheid voor de ouders – en daarmee hun kinderen – alleen maar door.

Moeders en vaders van Nederland worden “zorgmoe”, juist door die talloze kastjes en muren, het doolhof waar ze vol goede bedoelingen in waren gelopen, maar niet meer uit weten te komen. Dus wat doen we dan? In eerste instantie zoeken we door, blijven we dwalen en hetzelfde rondje door het doolhof herhalen, net zo lang totdat we hopelijk ergens per geluk toch struikelen over de juiste zorgaanbieder. En als dat te lang duurt, doen we wat ieder mens wil als het zich gevangen voelt zonder uitzicht: we vluchten. We willen geen hulp meer zoeken, want het zoeken putte ons uit.

En als we die juiste hulp eindelijk wel vinden, nou, dan houden we daar stevig aan vast. Een ergotherapeut die ik erg goed vond zei eens: mijn eerste en belangrijkste doel wordt ontdekken: hoe leert jouw kind.

Hèhè, eindelijk! Eindelijk, dacht ik, eindelijk iemand die zich daar echt in gaat verdiepen. Dat deed hij, en met succes. Ook de logopedist waar we uiteindelijk bij eindigden ging kalm en gestaag te werk, met succes.

Alleen vond ik het ergens ook best wel verdrietig, want: zou dat niet ook al op scholen moeten gebeuren? Moeten we niet juist meer investeren in de basis? De basis zijnde: het onderwijs en de opvoeding? Het aantal leerlingen per leerkracht? Waarom is de conclusie landelijk nog niet getrokken dat de grens van dertig kinderen in een klas de lat voor leraren én kinderen veel te hoog legt?

Het probleem van het anders lerende kind komt nu terecht in een doolhof van zorgaanbieders, en waarom? Is dat omdat scholen doorgaans niet voldoende middelen krijgen om ook anders lerende kinderen binnen boord te houden?Is het omdat de klassen te vol zijn en leraren overspoeld worden? Is er niet voldoende geld voor bijscholing van leraren? Of krijgen leraren wel voldoende bijscholing, maar simpelweg niet voldoende tijd om het geleerde ook op individuele basis te investeren?

Is het omdat ouders goedbedoeld verdwalen in de zoektocht naar hulp, terwijl concrete en praktische informatie voor het opvoeden van een anders lerend kind ook al heel veel problemen kan voorkomen?

Misschien ligt het antwoord op deze zoektocht wel precies in de wanhoop die zo veel ouders voelen: je ziet door de bomen het bos niet meer, je wilt je kind dolgraag helpen, maar je weet op een gegeven moment simpelweg niet meer hoe. Er is te veel keuze, er zijn te veel experts die allemaal hun eigen mening hebben. Iets met bomen en een bos zien.

Ik stel me graag een toekomst voor waar alle kinderen, anders lerend of niet, terecht kunnen op één school, in een klas waarin het niet noodgedwongen maar een nummer is, waarin de leerkracht voldoende rust en tijd krijgt om niet alleen in groepsverband, maar ook een op een meer te kunnen praten met het kind.

Dat laatste wordt overigens helaas nog veel te vaak vergeten: praten met het kind zelf. Zorgaanbieders, ouders en leerkrachten roepen met de beste bedoelingen over het kind heen, wijzen zelfs vaak met de vinger naar de ander. Helaas, want ik als ouder zie bij de gesprekken over ons kind gelukkig uitermate betrokken professionals die niet alleen beroepsmatig maar ook persoonlijk het beste met ons kind voor hebben.

Ik vraag me te midden van al die bomen, bossen, kastjes en muren af, wie tegenwoordig nog er aan denkt om aan het kind zelf te vragen wat het nodig heeft.

Anders lerende kinderen zijn vaak namelijk uitermate eerlijk en creatief, maar als ze de vraag niet krijgen, zullen ze wellicht zelf ook niet altijd met een antwoord komen.

Als je er naar vraagt, zullen de antwoorden gegarandeerd verbazen, vermoed ik zomaar.

Advertenties

Kinderen hè. Die hebben een gáve. Het is de gave van de aanwezigheid. Want, echt hè. Ze zijn er altijd, overal. Waar je ook gaat. Als een soort ninja’s besluipen ze je op de meest onverwachte momenten. Ongehoord.
Als ik bijvoorbeeld mezelf eindelijk eens een lekker koekje wil gunnen, en er is er nog maar één van, dan kan het natuurlijk eens zo zijn dat ik denk; sorry hoor, vandaag is het mama-time, die laatste is dit keer gewoon voor mij.

Even daarvoor had ik nog gecontroleerd; Kind zat nog met half open hangend mondje gehypnotiseerd televisie te kijken, al zeker een half uur. Me veilig wanend sloop ik naar de keukenkast, waar ik behoedzaam en geruisloos de kastdeur opende en als in een mission impossible film de doos koekjes richting aanrecht verplaatste, en BAM: naast me stond Kind, als uit het niets verschenen op ninjasokjes, verontwaardigd naar mijn koekje te kijken. “Voor mij?”

Girl Watching the Cake on White Ceramic Round PlateEen goede moeder zou dan natuurlijk lieflijk glimlachen en zeggen “Natuurlijk, schatje.”. Maar ik, als soms wel oververmoeide, dietijdvandemaandoverlevende alleenstaande moeder, moest daar dan toch echt even over nadenken. Want, natuurlijk, je kind is je alles en zo. Maar, van de andere kant, CHOCOLA.

Vertwijfeld stond ik me af te vragen waar Kind toch dat zesde zintuig vandaan haalt als het om lekkers gaat. Van de andere kant groeide mijn respect voor haar, terwijl ze standvastig deelnam aan de langste staredown van haar leven, hier in de keuken. Het koekje bleef tussen ons in liggen, de wedstrijd van de langste adem was begonnen.

Na een tijdje keek ze op van het koekje, keek mij aan en zei “Weet je wat, ik breek hem, en dan mag jij het grootste stuk. Want precies doormidden lukt me toch bijna nooit. Is dat een oplossing?” Ik knikte, aaide haar over haar hoofd en sprak mezelf van binnen vermanend toe, want ik hoopte in mijn hoofd op een heel groot stuk. Daarna bedacht ik dat ik haar wel probleemoplossend denkvermogen bij breng op deze manier, en voelde ik me iets minder slecht, met mijn 60% koekje.

Het is fantastisch om moeder te zijn. Echt, geweldig. Ik zou het nooit anders willen. Maar het ouderschap is naast geweldig en mooi en fantastisch ook vaak bijzonder vies.
“Mama, kijk! Ik heb een hele grote neuzevreutel gevangen!” Of je wil of niet (je wil niet), daar staat je kleuter, vlak voor je neus, met een wonderbaarlijk grote vangst uit de zijne. Natuurlijk gebeurt dit niet thuis, waar tissues en stromend water voorhanden zijn. Dit gebeurt midden in de supermarkt, net die ene keer dat je geen tissues bij je hebt.

Kerstavond, bijvoorbeeld. De mooiste tijd van het jaar. Je maakt je kleintje klaar om te vertrekken naar het Familie Diner. Al weken hingen de allermooiste kleertjes klaar, ver weg van de andere gewone kleren, zoals die geweldige, onverwoestbare jeans van de Zeeman en de Hema. Nadat je je kleine wolk hebt gebadderd en ze fris ruikend in haar mooiste kerstjurkje hebt gehesen (dat meer kostte dan jouw complete kerst outfit bij elkaar) en exact drie minuten voordat je moet vertrekken naar het Diner, ruik je opeens een verdachte geur. Alsjeblieft, laat het niet waar zijn, fluister je tegen de kerststal onder de boom, terwijl je je omdraait en je peuter in slow motion lachend weg ziet kruipen met een bruin-groenig plakaat van peuterdiarree op haar rug. Dwars door het veel te dure stof heen.

Ouderschap is gewoon vies. Je leert dingen die je nog nooit geweten hebt, zoals hoe ver een kraaltje omhoog kan in een neus, hoe ver een kind kan projectiel braken, en hoe smerig zwemwratjes zijn als ze open gekrabd worden. En: hoe hygiënisch je het ook probeert aan te pakken, het is nooit genoeg. Hoe steriel je huis ook is, iedere dag worden er gratis en voor niets school- en opvang bacillen mee naar binnen gedragen. Je kunt nog zo er tegen vechten; dat helpt niet.

“Pietertje moest poepen vanmiddag, tijdens de pauze op school.” vertelde kindlief ons eens, uiteraard toen we zaten te eten. “Oh, uh, oke.”
“Maar de juf had geen tijd om met hem mee te gaan naar binnen.”
“Waarom zou de juf mee moeten gaan naar binnen?”
“Ja, omdat hij zijn billen nog niet zelf kan af vegen!”
“Oh, zo.”  zei ik, en nam een hap van mijn eten.
“Dus heb ik het maar gedaan.”
Mijn eten bleef ergens halverwege mijn keel steken.”Wat heb je gedaan?”
“Zijn billen voor hem afgeveegd! Want het was zo zielig voor hem en hij moest echt erg veel poepen!”
Mijn hoofd had een gevecht met mijn eten: wel of niet terug omhoog komen. U kent het wel.
Ik overwoog of ik moest vragen of ze haar handen wel had gewassen, maar besloot dat ik het niet wilde weten.

Ouderschap. Het is geweldig. Het is bijzonder mooi, liefdevol, maar vaak ook stinkend, vies, en groen.

 

Soms kom ik als schrijfster stukken tekst en verhalen tegen van mensen, en dan denk ik: daar moet je iets mee doen! Zo ook met het verhaal van Dagmar. Haar eerlijke verhaal zal ongetwijfeld herkenbaar zijn voor veel moeders. Wat een talent!

Gastblog door: Dagmar

image
Gastblogger Dagmar

Bloedlijn

‘Ik walg van je.’  De woorden dreunen nog door als nieuwe alweer mijn oren laten suizen.  ‘Ik had veel eerder bij jullie weg moeten gaan……’  Alles in mijn lichaam schreeuwt dat ik moet ophangen, maar ik kan het niet. Iets houdt mijn stem rustig en laat mijn adem circuleren als ik rustig aangeef dat je geen band met je kinderen krijgt door een keer in de week je gezicht een uurtje te laten zien.

Het heeft allemaal geen zin, aan de andere kant van de lijn blijft de onredelijkheid doorklinken. Het verleden heeft zijn sporen getrokken en ik zou willen dat de toekomst ze niet meer tegenkwam. Als hij dat stukje van mijn toekomst erbij haalt dat sinds kort tot mijn verleden hoort, is de maat vol en flikker ik de hoorn erop.  De zelfingenomenheid van hem die belangrijk wil zijn in plaats van iets belangrijk te vinden, namelijk zijn kinderen, is niet meer belangrijk voor mij. Zo klaar ben ik ermee!

Als de dag om 6 uur aan mijn nacht trekt, zoek ik op de tast naar mijn gsm en snooze. Het moest verboden worden, denk ik. Mijn lichaam voelt alsof ze net pas is gevallen in het duister van de nacht. Ik krul mezelf nog even in wit als ik me voor de zoveelste keer voorneem om vanavond echt vroeg naar bed te gaan. Al weet ik nu al dat ik dat vanavond alweer vergeten ben. Om half zeven ruil ik mijn warme bed voor warme druppels die mijn lichaam langzaam wakker maken. Als de klok bijna zeven slaat, ga ik op de rand van haar bed zitten en laat mijn vingers door haar blonde krullen gaan als ik haar zachtjes wakker kus. ‘Schatje, wordt eens wakker.’ Ik kriebel haar door de zon gebruinde lichaam en voel mijn hart warm worden als een slaperige lach om haar lippen danst. ‘Hej slaapkopje, is daar iemand?’ Als ze haar ogen opent, weet ik waarom ik de vroege ochtenden stiekem toch fijn vind.

Ik zie haar zo graag wakker worden en over 20 minuutjes beleef ik hetzelfde ritueel op de andere kamer. ‘Kom opstaan jij!’  Ik maak hun tasjes klaar en smeer ons brood als 5 voor de tv haar broodje eet en ik 3 wakker ga maken. Hij slaapt vaster en heeft zijn tijd nodig. ‘Liefje, wordt eens wakker.’ Hij is nog veel te ver weg om dichtbij te komen dus kriebel ik zijn blote buik. Ik zie een lach op zijn gezicht verschijnen, maar zijn oogjes blijven dicht. ‘Word je een beetje wakker, gaat mama zich even opmaken in de badkamer?’ Hij knikt als óók hij zich nog even in wit krult en driftig op zijn duim zuigt. Een paar minuten later loopt hij slaapdronken de badkamer op, trekt zijn luier uit en gaat op het potje zitten. ‘Morgen lieverd.’ ‘Morgen lieve mama.’ Om twintig voor acht trek ik de deur achter ons dicht om de kinderen naar de opvang te brengen en zelf te gaan werken. ‘Kom je ons weer halen mama?’ ‘Tuurlijk lieffie.’ ‘Echt?’ ‘Ja, echt gekkie.’ Ik vang zijn knuffel en lief zijn hals als ik zie dat zijn lip gaat trillen. ‘Tot straks schatje.’ ‘Doei lieve mama tot de wereld.’ Ik loop naar buiten als hij wordt opgetild door Lisa, zij samen zwaaien, ik een handkusje blaas en nog even omhoog kijk, naar haar boven aan het raam om nog een kusje op mijn hand te laten dansen voor ik het naar boven blaas.

Zij was ruim twee jaar en hij was amper vier maanden, toen hij ging, zomaar omdat het leven hem te zwaar viel. Hij pakte zijn koffer naast zíjn wiegje, liep langs háár kamer door en bleef hangen in de woonkamer waar hij de woorden niet kon vinden en de oplossing zocht in zijn vlucht. Zijn vlucht die begon toen ik zijn koffer buiten zetten en zijn jas er achteraan liet vliegen want die laatste stap nam hij niet. Geen idee wat hem tegenhield, mijn woorden niet in ieder geval want die lagen als ongelezen letters verspreid door de huiskamer en mijn tranen bevroren op zijn hart. Maar hij was niet mans genoeg om daadwerkelijk te gaan. ‘Als je over de drempel stapt hoeft je nooit meer terug te komen,’ zei ik uiteindelijk met een tong vol gif. Je had hem moeten zien, als een klein kind sprong hij over de drempel van zijn leven terwijl hij vrolijk zei: ’Kijk.’ En weg was hij. Vertrokken in het duister van de nacht.

De nacht die mijn kinderen nu nog veilig hield, waar hun dromen onschuldig speelden met de sterren, om straks wakker te worden in de dag die hun leven voorgoed veranderde. Haar tranen druppelen op mijn hart als zout in een open wond. ‘Mama, wanneer gaan we nu het vaderdagkado geven?’ Ze vraagt er zelden naar, de eerste twee jaar heeft ze er zelfs helemaal niet naar gevraagd, maar voor vaderdag heeft ook zij driftig zitten knutselen en natuurlijk moet dit kunstwerk worden uitgepakt. Ik weet werkelijk niet wat te antwoorden. Welke stap te nemen, maar het zien van haar verdrietige gezichtje is een klap in de mijne. Hoe leg je een kind uit dat papa haar liefde niet verdient, haar liefde niet waard is.

Hoe vertel je een kind dat je niet weet wanneer papa weer langskomt. Dat papa de confrontatie gewoon niet aan kan, liever zijn kop in het zand steekt. Hoe vertel je een kind dat je haar wilt beschermen tegen het verdriet dat hij haar steeds doet door langs te komen, maar sneller dan de wijzers van de klok draaien weer te gaan. Ik neem haar op mijn schoot en veeg haar traantjes weg als mijn liefde een afdruk op haar wang achterlaat. ‘Weet je nog dat Alex niet zo lief was voor mama en mama verdrietig was?’ Ik zie de uitdrukking op haar gezicht veranderen als ze zelf haar laatste traantje wegveegt. ‘Ja,’ zegt ze als ze dichter tegen me aankruipt. ‘Hij moet uit zichzelf komen lieverd. Hoe graag ik het ook anders voor je zou willen zien, hij moet het zelf doen.’ Ze weet heel goed wat ik bedoel want ze noemt hem niet voor niks Alex, maar de drang naar haar vader, gaat dwars door mijn moederhart. Op weg naar huis voel ik de drukte van de werkdag in mijn lichaam hangen, maar als ik op de opvang aankom en hij me in de armen valt, lijkt alle drukte verdwenen, al weet ik dat er snel een andere drukte voor in de plaats komt.

We lopen samen naar boven om haar achter de voetbaltafel uit te halen. ’Nog een goal mama.’ ’Nee schatje, mama wil naar huis, ik moet koken.’ In de auto vertellen ze over hun dag en benadrukt hij dat hij lief is geweest en niet in de hoek heeft gestaan, de boef. Terwijl het eten suddert, spelen zij en laat ook de drukte van de dag zijn sporen na in hun lichaam. Ze zijn lastig en druk en het valt niet mee ze aan tafel te houden. ‘Mama je moet me helpen.’ ‘Mij ook mama.’ Ik zucht als ik ze moedeloos aankijk. ‘Lieverds, mama moet zelf ook eten en hoe oud zijn jullie? Kom eten nu.’ ‘Nee, jij moet helpen,’ zeggen ze in koor. Ik geef me over want ik ben te moe voor een lange zit daar waar de avond met hen al zo kort is en het badje roept.  Ik wikkel haar in een handdoek als hij op zijn billen rondjes in bad draait op de laatste schuimkraagjes. ‘Kiki lieverd, blijf nu even staan zo kan ik je toch niet afdrogen! Ze dollen samen, niet in de gaten hebbende dat ik er dol van word. ‘Kiki! Blijf nu even staan! Dank u!’ 

Daar waar ik hem vanmorgen als laatste wakker maakte, stop ik hem nu als eerste in. ‘Ga je lekker slapen liefje,’ zeg ik als mijn handen door zijn haren gaan en ik zijn dag weg kus. ‘Slaap lekker lieve Kaja.’ ‘Slaap lekker lieve mama tot de wereld,’ fluistert hij liefjes als ik zijn kamer verlaat.  ‘En jij dame, ga jij ook lekker slapen,’ zeg ik als ik op de rand van haar bed ga zitten. ’Nog heel even vertellen mama en kriebel je dan op mijn buik? Vind ik zo lekker,’ zegt ze als ze haar pyjama omhoog trekt. ’Heel even dan.’ De glimlach op haar gezicht en de twinkeling in haar ogen laten even iets langer worden. ‘Kom kletsmajoor, slapen nu.’ Ik kus ook haar dag weg en fluister haar mooie dromen toe. ‘Tot morgen lieverd.’

Een bloedlijn, hij zit er voor het leven en met een reden. Je kiest er samen voor je bloedlijn te delen en vanaf dat moment zal je het bloed moeten laten stromen, onvoorwaardelijk. Ik weet dat het belangrijk is dat mijn kinderen zich niet afgewezen voelen, dat ik de lijn naar hun vader openhoud ook al is hij degene die hem steeds afsnijdt. Ik wil niks liever dan hun moeder én vader zijn, maar er is er maar een die, die laatste rol kan vervullen en dat is hij, al is het maar in de wetenschap dat hij er is en dat ze hem kunnen bereiken als ze dat zouden willen. En ook al rept mijn jongste er nooit met een woord over, ik weet dat ook hij de behoefte heeft.  Ik kom zelf uit een warm en liefdevol gezin en had niks liever gewild dan mijn kinderen te omringen met dezelfde onvoorwaardelijke liefde, geborgenheid, en warmte van een thuis, van een gezin, van een papa en een mama, maar het liep anders, het liep zoals het leven soms loopt en ik kon er niks aan doen toen het uit elkaar viel in ontelbaar kleine stukjes.

Toen ik nog niet zag hoeveel stukjes het waren, heb ik nog geprobeerd ze te lijmen, maar ze waren te scherp, ik bleef mijn vingers er aan snijden en de stukjes zonder scherpe randjes bleven gewoon niet meer plakken.  Ik weet, zie en voel dat mijn kinderen gelukkig zijn en dat ik in mijn eentje een heel eind gekomen ben om ze wél een gezin te bieden, een warm thuis waar ze zich geborgen voelen en waar de liefde dagelijks onvoorwaardelijk stroomt.

Nu rest me nog het stukje om de band naar hun vader open te houden. En God weet hoe moeilijk dat soms is, maar voor hen zet ik alles opzij, laat ik het bloed stromen ook daar waar het klontert. Dus daar waar ik vond dat het bij hem lag, leg ik het weer terug bij mezelf en zal ik haar laten bellen als ze weer naar hem vraagt ook al is het inmiddels 6 maanden geleden dat híj naar zijn kinderen vroeg….

Dagmar

Ik snap het wel hoor, dat kinderen hun ouders soms niet begrijpen.

Liegen is fout! (Tenzij wij het doen.)
Allereerst leren ouders hun kinderen (hopelijk) om netjes te zijn, beleefd, en eerlijk. Maar kinderen zijn van nature al vaak eerlijker dan volwassenen. Wij prenten het ze toch nog eens extra in, hoe belangrijk het is dat ze altijd de waarheid spreken. Totdat de leeftijd komt waarop kinderen ontdekken dat de man met de mijter niet bestaat. Na jaren braaf oefenen met eerlijk zijn, niet liegen, ook niet om bestwil, komen ze er dan achter dat ze jarenlang glashard voorgelogen werden door hun eigen ouders nota bene, op een akelig moeiteloze manier. En dan heb ik het nog niet over de pieten, de paashaas, de kerstman en zo verder.

Gij zult verdomme nog niet vloeken
Vervolgens zeggen ouders dat ze geen foute woorden mogen gebruiken. Scheldwoorden zijn uit den boze, want zo ben je niet opgevoed. Totdat mama of papa in de auto afgesneden wordt door een andere automobilist, of totdat een ipad per ongeluk in duizend stukjes kapot valt op de keukenvloer. Dan vliegen de scheldwoorden door het huis, wat niet mag, maar als je ouders het zeggen is dat natuurlijk wel rechtvaardigd, toch?

(Zelf lijd ik overigens aan “pijnschelden”. Ik zeg altijd netjes “sjips” in plaats van shit. Tenzij ik me écht hard pijn doe. Dan komt er een willekeurig scheldwoord uit. Dat komt omdat ik niet nadenk als ik echt pijn heb. Maar leg dat maar eens uit, als je je kind wil bijbrengen dat schelden niet mag.)

Het mobiele tijdperk
Dan heb je nog zoiets moois. Kinderen moeten zo veel mogelijk bewegen, buiten spelen, binnen spelen, niet te lang televisie kijken of op hun tablet spelen. Want nee, dat is ongezond en niet verantwoord!

Papa en mama zitten echter regelmatig vrolijk en onbewust vast geplakt aan hun telefoon of ipad, checken direct in als ze het pretpark betreden. Kijk maar eens om je heen in een binnenspeeltuin: geen ouder die geen mobiel of tablet bij zich heeft. Als de kinderen maar bewegen!

Ik zag eens een peuter van twee gevaarlijk hoor klimmen in een binnenspeeltuin. Zo hoog, dat ze bijna in de voor haar veel te gevaarlijke tunnel glijbaan kon vallen. De ouders zagen het niet: ze zaten beiden verzonken in hun tablet of telefoon, mét mp3 speler in de oren.

Nobody is perfect
Geen enkele ouder is perfect. De meeste ouders doen dingen in het belang van hun kind en gelukkig meestal met de allerbeste intenties. Vaak gaan dingen onbewust. Maar ja, ik snap dus wel waarom kinderen hun ouders af en toe niet begrijpen.

Hoe zeggen ze dat ook alweer?
Children won’t do what you say,
Children will do what you do.
Lead by example.