Tagarchief: Bodem

Bodem – Hoofdstuk 8

Ik voelde niets, toen ik Anna het water in duwde.

Het spartelen en happen naar lucht bezorgde me wel bijna een lachstuip, maar dat kon ook komen omdat ik net nog gesnoven had, op het toilet van het restaurant. Wellicht ook van de zenuwen, want deze keer ging ik wel een stap verder dan ooit tevoren. Ik wist dat ik tot veel in staat was, maar niet dat ik dit zou kunnen, en al helemaal niet zonder iets te voelen.

Nadat ik haar het water in duwde stond ik even stil. Ik keek op mijn horloge. Na een minuut liep ik weg. Ik had het koud en verborg mijn gezicht in mijn kraag; ik moest snel een kroeg vinden.

Ze had niet moeten gaan graven, dan was dit allemaal niet nodig geweest. Als ze gewoon was gebleven zoals ze dat eerste jaar was, goedgelovig en naïef, een beetje dommig, dan was er niks aan de hand geweest. Maar nee, uiteindelijk gaan ze graven. Allemaal. Het lijkt wel een collectief ritueel; ze zien eerst alleen het beste in je, maar na verloop van tijd zoeken ze allemaal iets om over te zeiken. Bij een normale man vinden ze dan wellicht iets onbenulligs. Dat hij te veel bier drinkt, of lui is. Aangezien ik geen normale man ben, schrikken ze zich dood als ze ontdekken wie ik echt ben.

Het is bijna om te lachen.

Meestal gaf ik dan gewoon wat waarschuwingen af, zodat ze zich uiteindelijk vanzelf gedeisd houden en uiteindelijk er vandoor gaan. Wat dat betreft was Anna de eerste die niet ophield. Die alles ontdekte. Toen ze zag wat ik allemaal op mijn kerfstok had – ik wist meteen wanneer ze het wist, dat merk je aan het witte kleurtje en de stilte – ging ze nog verder graven. Ze beet zich vast in mijn verleden, alsof ze ergens een antwoord zou vinden. Misschien zelfs een oplossing. Kinderlijk naïef eigenlijk, want er is geen oplossing. Ik had bijna medelijden met haar; ze bleef maar zoeken naar het waarom en naar oplossingen. Maar al snel vond ik het vooral heel irritant. Dat heb ik haar ook verteld tijdens ons laatste avondmaal; Je moet kappen met dat graven en zoeken, ik ben wat je ontdekt hebt. Ik ben niet te redden. Al zeker niet door jou. Haar tranen en stem irriteerden me mateloos, terwijl ze maar door bleef zagen.

Zoals zo vaak deed ze me weer aan mijn moeder denken: betrokkenheid veinzen, terwijl ik heel goed wist dat ze uiteindelijk zou doen wat ze allemaal doen: de benen nemen. Dat doen ze uiteindelijk, allemaal. Maar Anna was anders dan anderen. Ze had een extreem sterk geweten. Ik zag het aan haar gezicht. Ze zou me verlaten, uiteindelijk, maar dan zou ze toch bezwijken onder wat ze allemaal van me wist. Ze zou gaan praten, met vriendinnen, haar moeder, collega’s. Alles wat ik al die jaren zo zorgvuldig opgebouwd had zou in één klap kapot gaan, omdat zij haar mond niet zou kunnen houden. Terwijl ze nerveus aan haar servet bleef friemelen, moest ik de grootste moeite doen om haar niet ter plekke een hengst te verkopen. Ze kon nog zo goedgelovig denken dat er hulp was voor me, dat ik kon “helen”, ik wist dat het niet mogelijk was. Ze zag nog hoop, en dat zou me de kop gaan kosten.

Razendsnel bedacht ik hoe ik hier een eind aan kon maken. Mijn kop werkte niet mee. Ik wilde zo snel mogelijk weg uit dat klote restaurant, waar ik niet kon nadenken. Ik wil weg, dacht ik, en zij moet ook weg. Ik zou haar kunnen dumpen, maar dan nog zou ze actie ondernemen. Ze hield van me, dat wist ik. Ze voelde dingen die ik nooit kon voelen. Daarom zou ze me niet opgeven. Zou ze alles kapot maken. Terwijl ik haar in haar jas hielp, zag ik dat ze rilde. Toen we naar buiten liepen, werd ik heel rustig. We liepen langs de waterkant richting de parkeergarage. Ik wist wat ik ging doen. Ze was al jaren moed aan het verzamelen om zwemles te nemen, maar het was nooit gelukt. Ze schaamde zich dat ze als volwassene niet kon zwemmen. Verderop kwam een rustig stuk, een paar honderd meter voor de parkeerplaats. Als daar geen mensen zouden lopen, zou ik haar met het grootste gemak het water in kunnen duwen. Ik ging links naast haar lopen en pakte haar hand vast. Dat laatste deed ik niet meer vaak, dus keek ze me wat verbaasd aan. Met moeite ko

n ik nog een glimlach er uit persen. “Het eten was lekker, vind je niet?”

“Ja, het was heerlijk.” antwoordde ze vertwijfeld.

Toen we langs het stuk liepen waar het rustig was, keek ik snel om me heen. Er was niemand. In de verte hoorde ik mensen een kroeg uit lopen, maar dat was ver weg genoeg. Als ik het ga doen, moet het nu, dacht ik, en ik dacht aan al die keren dat ik er over fantaseerde hoe ik mijn moeders leven zou beëindigen. Als ik daar over fantaseerde, werd ik altijd heel opgewonden en nerveus. Nu was ik kalm.

Ik dacht aan alles wat Anna me af zou nemen met haar geweten; mijn carrière, mijn vrijheid, mijn geld. Ik nam een diepe teug adem en verstrakte mijn grip om haar hand. Ze keek me direct aan, alsof ze wist wat er ging gebeuren.

Ik stopte met lopen.

“Wat is er, Pascal?” Ze keek me angstig aan.

“Ik moet dit doen.” Ze wilde iets terug zeggen, maar ik duwde al. En hard. Ze struikelde achteruit, wankelde even op de rand. Haar mond ging open, ze sloeg wild met haar armen. Ik keek haar aan. Ze had beter kunnen weten. Met een stille plons viel ze in het water.

Een uur later stond ik in een kroeg, ik had bijna al mijn contant geld uitgegeven aan wodka. Een of andere scharrel die ik ooit eens mee naar huis had genomen zat op mijn schoot en tetterde in mijn oor. Ze rook niet naar Anna, ze rook naar goedkope wijn. Ik zag telkens Anna´s gezicht voor me. Dat irriteerde me. Maar ergens was ik ook opgelucht en blij dat het me gelukt was. Ik was veilig. Althans, voor nu. Ik had het ergste gedaan, na al die jaren denken dat ik zoiets niet zou kunnen. Ik dacht dat zelfs ik een grens had. Blijkbaar niet. Alles was verloren, en dat gaf me een rustig gevoel. Het was nu kop of munt: of Anna´s dood zou me achtervolgen en ik zou alles kwijt raken, of ik zou door kunnen leven zoals ik altijd leefde. Maar zolang ik nog kon leven zoals ik dat altijd deed, moest ik dat ook maar goed doen, bedacht ik, terwijl ik van mijn barkruk af stapte en wankelde. Ik moest eerst maar eens een nacht slaap hebben, morgen zou ik weer helder kunnen denken. De coke en de alcohol maakten me alleen maar suf en in de war.

Ik liep de kroeg uit en belde een taxi. Vanavond is niet de avond om dronken achter het stuur betrapt te worden, zo helder was ik nog. Terwijl ik stond te wachten op de taxi, voelde ik een hand op mijn schouder. Het was dat irritante mens uit de kroeg. Ze wilde met me mee, natuurlijk.

“Vanavond niet, schatje.” zei ik, en ik schonk haar nog een glimlach.

“Niet? Vond je het vorige keer niet fijn dan?”

Vorige keer, ik wist niet eens meer wanneer dat was. Ik kon me alleen herinneren dat ze het prettig vond dat ik hardhandig ben. Veel vrouwen vinden dat prettig, heb ik gemerkt. Maar ze zullen het nooit toegeven. “Jawel liefje, maar ik ga nu naar huis.” zei ik nog schappelijk, maar ze bleef aan me plakken. Haar handen verdwenen onder mijn jas, ze probeerde me in mijn nek te kussen, precies op de plek waar Anna me altijd kuste, voordat ze ontdekte wie ik was.

“Ik zei, ik ga nu naar huis.” zei ik, en ik duwde haar – nog veel harder dan Anna – van me weg.

Ze vloog haast door de lucht, viel wat ongelukkig tegen een paaltje aan. Jammerend van schrik en pijn lag ze daar, met haar veel te korte rokje opgekropen tot in haar taille. “Wat ben jij voor beest!” schreeuwde ze.

Ik liep weg, ik zou wel ergens anders wachten op een taxi.

“Na vanavond zal alles anders zijn.” zei ik nog tegen de taxichauffeur.

“You speak English?” antwoordde hij.

Alle gepubliceerde hoofdstukken van Bodem lees je hier

Advertenties

Bodem – Hoofdstuk 7

Ik ontdekte pas dat Pascal een bewogen verleden had, toen we al een half jaar samenwoonden. Ik zat op een doordeweekse avond op de bank met een kop thee toen ik een melding kreeg op mijn telefoon. “Joyce Stevens stuurt u een berichtverzoek.” Ik wist niet wie ze was, maar accepteerde haar verzoek, omdat ik nieuwsgierig was.

“Hallo,” kwam het bericht binnen op messenger.

“Hoi.” stuurde ik terug.

Het bleef lang stil. Ik werd nog nieuwsgieriger.

“Je kent me niet, maar ik ben een ex van Pascal. Ik wil je voor hem waarschuwen.”

Waarschuwen? Ex van Pascal? Razendsnel groef ik in mijn geheugen. Ik was al nooit sterk in namen, maar ik wist het bijna zeker: Hij had het nooit over een Joyce gehad.

Een naar gevoel bekroop me.

“Eh, oké…” stuurde ik terug.

Ik zag dat ze terug begon te typen. Wederom duurde het ellendig lang. Ik werd steeds nerveuzer en was blij dat Pascal niet thuis was. Hij moest overwerken en zou pas over een half uurtje thuis komen.

“Ik hoop dat je hem niet vertelt dat ik je dit stuur. Ik stuur dit om jou te waarschuwen. Pascal is agressief, gevaarlijk en hij gaat vreemd bij de vleet. Pas op jezelf. Je bent niet de eerste en niet de laatste.”

Gevaarlijk.. agressief? Zo was Pascal helemaal niet! Ik kende hem alleen als lief en zorgzaam. Ik voelde me meestal juist een prinses bij hem, hij droeg me op handen. En dit moest ik dan maar aannemen van een ex die ik niet eens kende?

“Bedankt, maar zo ken ik Pascal helemaal niet.”

Misschien was het zo’n ex die boos was omdat het uit was, dacht ik.

“Dan ken je Pascal nog niet. Stap er uit, echt, voordat het te laat is.” schreef ze, en drie seconden er na was ze weg. Ik kon niets meer terug sturen: ze had me geblokkeerd.

Ik voelde me heel ellendig. Mijn handen begonnen te trillen. Snel wiste ik het gesprek uit mijn lijst.

Toen Pascal thuis kwam, zei ik voorzichtig dat ik benaderd was door ene Joyce. Hij stond aan het aanrecht een fles bier open te maken en bij het horen van haar naam verstarde hij – het was maar een fractie van een seconde. Toen trok hij zijn schouders op.

“Ik was er al bang voor. Die heeft altijd al een obsessie gehad. Blokkeren die handel, liefje.”

“Dat hoeft niet; ze heeft mij al geblokkeerd.” grapte ik.

Hij draaide zich om, liep naar me toe en zei met een iets hardere stem: “Ik zei, blokkéren die handel.” Zijn blik was opeens ijskoud; zo had ik hem nooit eerder zien kijken.

“Oh, oké..”

Hij merkte dat ik schrok en ontdooide snel weer.

“Liefje, luister even naar me. Die Joyce is een borderliner met een obsessie. En die heeft ze helaas voor mij. Ze heeft me nooit vergeven dat ik het uitmaakte. Je wil niet weten op hoe veel manieren ze me bleef lastig vallen nadat ik het uit had gemaakt. Ze is niet helemaal goed bij haar hoofd, schatje. Het is echt beter als je haar blokkeert, anders gaat ze mij via jou blijven stalken. En ik wil niet dat jij last van haar krijgt. Echt.”

Hij wachtte niet eens af of ik ja of nee zou zeggen, tilde me snel op en kuste me. Hij draaide me rond in de woonkamer zoals hij dat zo vaak deed en ik moest weer vreselijk hard lachen. Gerustgesteld kroop ik tegen hem aan op de bank om een film te kijken.

Toch sliep ik amper, die nacht. Ik werd een aantal keren geschrokken wakker, pakte mijn telefoon, keek naar het scherm van Facebook, maar ik blokkeerde Joyce niet.

Als ze echt nog eens zou beginnen zou ik dat wel doen, dacht ik, voordat ik weg zakte in een onrustige slaap.

Bodem – Hoofdstuk 6

Mijn pa was een echte man.
Hij voedde mij ook zo op. “Ik voed geen jongetje op, maar een man.” zei hij altijd.

Ik was een jaar of zes, toen ik eens hard viel met mijn fiets. Tijdens de val had mijn hoofd iets hards geraakt. Toen ik bij kwam, zag ik overal sterretjes. Ik raapte mijn fiets op. Het stuur was scheef gaan staan en mijn knie begon te kloppen. Mijn hoofd barstte zowat uit elkaar van de pijn; huilend liep ik naar huis. Ik belde thuis aan, met mijn verkreukelde fiets naast me. Door het raam zag ik mijn pa wakker worden in zijn stoel. Hij werd nooit vrolijk wakker.

Hij liep naar de voordeur, maakte die open en bekeek me een paar seconden. Of het de bult was die ik voelde gloeien op mijn voorhoofd, de tranen op mijn wangen of mijn gescheurde broek; ik weet het niet, maar hij trok me naar binnen en gaf me een pak rammel. Mijn moeder kwam haastig uit de keuken gerend en riep dat hij moest stoppen. Ik weet nog dat ik schrok, want van pa was ik gewend dat hij schreeuwde: van haar niet.

“Welja, neem hem maar weer in bescherming! Zorg jij dan ook voor geld voor een nieuwe fiets en een nieuwe broek?” schreeuwde hij tegen haar. “Je maakt een wijf van dat kind!” bulderde hij, terwijl hij onvast weg liep, terug naar zijn stoel. Hij schonk een borrel in, terwijl mijn moeder me mee nam naar de keuken om mijn gezicht en handen te wassen. Toen bekommerde ze zich wel nog om me.

Die avond lag ik in mijn bed. Ik herinner me dat ik zo’n hoofdpijn had dat ik blij was toen het donker werd. Ik keek in het donker naar de contouren van de kledingkast, terwijl ik beneden mijn vader hoorde schreeuwen. Mijn moeder klonk alsof ze hem probeerde te kalmeren. Ik trok de dekens over mijn hoofd. Ik hoorde hun stemmen nog steeds. Ik trok het kussen ook er overheen.
De stemmen bleven er doorheen komen. Mijn hoofd bonkte en ik moest weer huilen. Ik haatte het om te huilen.

De dag er na kwam ik beneden en was mijn moeder er niet. Ik vroeg waar ze was. Pa zei dat ze naar haar zus was gegaan om een paar dagen te helpen met de baby. Ik durfde niet verder te vragen, maar miste mijn moeder wel. Ik was de hele dag misselijk en moest overgeven. Ik deed dit stiekem boven, op de badkamer, want ik moest ook huilen van de misselijkheid.

Die hoofdpijn bleef tot lang nadat mijn moeder weer thuis kwam.

Alle gepubliceerde hoofdstukken van Bodem lees je hier. 

Bodem – Hoofdstuk 5

Ik weet niet precies wat me zo tot Pascal ging aantrekken. In eerste instantie vond ik hem vooral glad en vervelend. Mijn intuïtie vertelde me al van begin af aan dat ik ver weg bij hem moest blijven, maar toch kreeg hij dag voor dag meer grip op me. Als een magneet die steeds sterker werd.

De manier waarop hij iedere dag weer gedag kwam zeggen bijvoorbeeld, vond ik in het begin aanstellerig en overdreven. Maar na verloop van tijd begon ik te denken; hoe veel andere accountmanagers zien ons eigenlijk überhaupt staan? Hoe veel andere collega’s tonen oprechte interesse in ons?

In een bedrijf waar vooral haantjes werkten, werden wij als assistentes vaak vergeten, of er werden (al dan niet seksistische) grapjes over ons gemaakt. Het werd niet zo gezegd, maar je merkte wel duidelijk dat ze zich verheven voelden boven ons. Wij waren immers maar de assistentes die vooral bestonden om te ondersteunen en te zwijgen tijdens het notuleren, of zoals een accountmanager die ik het liefst wilde villen ooit zei, “Stil zijn hoor, als de grote mensen praten.”.

Als assistentes hadden wij natuurlijk vaak heel goed door wat er allemaal speelde. Sommige collega’s behandelden ons wel nog menselijk of als een gelijkwaardig collega, maar van veel van hen was het al heel wat als ze onthielden hoe we heetten. Ik nam het ze niet echt kwalijk: zo gaat dat nu eenmaal vaak. Maar toch, er was iets aan Pascal, waardoor ik dacht: hij ziet ons wel. Hij komt wel regelmatig vragen hoe het met ons gaat. Hij blijft vragen hoe het met mij gaat, terwijl ik hem de eerste weken iedere dag weg stuurde. Interesse in mij als persoon was sowieso altijd al een verrassing, van wie dan ook overigens. Ik ben het van kinds af aan gewend geraakt om onzichtbaar te zijn.

Ik val nu eenmaal niet op, men heeft niet al te hoge verwachtingen van me. Mensen zijn vaak verbaasd als ik eens iets zeg. “Goh, ik wist helemaal niet dat jij zo slim was!” riep iemand eens per ongeluk. Om het daarna snel te corrigeren met “Ik bedoel, ik dacht natuurlijk niet dat je dom was of zo…”. Ja, ik ben het gewend dat mensen me niet zien, waardoor ze ook niet zien wat er allemaal in mij omgaat.

Dat is misschien maar goed ook.

Mijn enige vriendin op het werk, Maria, zei op een dag iets wat me in het verkeerde keelgat schoot. Normaliter was Maria helemaal niet van de sterke uitspraken of heftige uitlatingen: ze was een rustige, lieve vrouw waar ik altijd mee mocht praten. Maar dit keer was ze fel; ik schrok er van. Het was op een dinsdag, Pascal had net zijn ronde gemaakt door ons kantoor. Maria zat altijd aan het bureau achter mij. Pascal bleef meestal weg bij Maria: zij mocht hem niet, dat was al direct duidelijk toen hij bij ons kantoor kwam werken.

Toen hij me voor de zoveelste keer mee uitvroeg, en ik dit keer niet direct met nee antwoordde maar zei dat ik er over na zou denken, hoorde ik haar een paar minuten nadat hij weg liep opeens heel hard vloeken.

Ik draaide me geschrokken om: Maria vloekte normaliter nooit. “Klote nietapparaat.” zei ze, en toen ik daar nerveus om lachte, zei ze: “Anna, je weet dat ik niet iemand ben die zich bemoeit met andermans privézaken. Maar kijk uit met die Pascal. Ik ken dat soort mannen, ze zijn gevaarlijk.”

Ik voelde een verontwaardiging op komen vanuit mijn tenen en zei zacht: “Hij ziet ons tenminste staan, Maria, de rest weet niet eens hoe we heten.” Maria liep rood aan en sloeg nog eens op haar nietmachine. “Ik ken dit soort mannen, Anna. Het lijkt heel goedbedoeld, maar hij ziet je net zo lang staan, totdat hij je heeft.” Ik voelde me helemaal niet prettig bij haar toon, het klonk dreigend. Dus draaide ik me om en maakte ik mijn verslag af. Ik voelde me er heel naar bij: Had ik eindelijk eens iemand die oprechte interesse toonde in mij, leek mijn enige vriendin op het werk het mij te misgunnen.

Die avond verscheen Pascal voor het eerst aan mijn deur. Ik dacht nog, zie je wel, Maria heeft het mis. Hij toont oprecht interesse, anders had hij zeker niet al die moeite gedaan om mijn huisadres te ontfutselen, bij Helma van personeelszaken.

Nu weet ik dat Maria gelijk had. Het was zo´n lieve vrouw, haar waarschuwing was terecht.

Kon ik het haar nog maar vertellen.

 

Alle gepubliceerde hoofdstukken van Bodem lees je hier

 

Bodem – Hoofdstuk 4

Ik wist vanaf dag één dat het niet vanzelf zou gaan. Maar ik wist ook dat het me uiteindelijk zou lukken. Anna deed alsof ze me niet zag staan. Als ik het kantoor van de assistentes binnen wandelde, keek iedereen op, behalve Anna. Eerst was ik even van slag: zou het bij haar niet werken? Zou ze lesbisch zijn? Zou ze al verliefd zijn op iemand anders? Nee. Dit – mijn gave – had altijd gewerkt: ik had eerder onzinnige obstakels zoals geaardheid en verliefdheden op andere mensen overwonnen. Vrouwen raken nu eenmaal verslaafd aan me, zonder dat ze dat zelf in de gaten hebben.

Als ze eenmaal van me geproefd hebben, willen ze niemand anders meer, ongeacht hoe verliefd ze ook waren op hun partner voor mij. Toegegeven, soms duurt het even. Soms moet ik geduld hebben, soms moet ik juist wat angst inboezemen, soms moet ik partners bedreigen, soms moet ik de pias uithangen, maar uiteindelijk vallen ze allemaal voor me. Ik weet hoe het spel werkt; ik heb het geleerd van de meester en ik heb het me eigen gemaakt.

Ik benaderde Anna zoals een verzorger een schichtig dier benadert op de eerste dag in het nieuwe verblijf van de dierentuin; voorzichtig, vriendelijk, kalm, vanaf een gepaste afstand. Zo win je het vertrouwen van zelfs het schuwste dier, zei mijn vader altijd. Hij was een begaafd jager, maar al lang niet meer op dieren. Op dieren jagen deed hij alleen nog voor de ontspanning. Vrouwen waren de beste prooien, volgens pa. Ik besloot de tijd te nemen; Anna was geen vrouw waarbij je te snel moest gaan. Ze moest wennen, aan mij, mijn aanwezigheid, mijn geur. Een prooi vangen is pas echt leuk als je veel moeite hebt gedaan om het op te jagen, om het vervolgens toch te vangen. Nog zo’n wijsheid die ik van mijn vader meegekregen heb. Ik heb al van kinds af aan een enorm respect voor mijn vader. Hij was succesvol, ontzettend goed in vrouwen vangen en hij heeft me – zoals hij dat noemde – de ‘kneepjes van het vak’ geleerd. Ik zie hem nog zitten, in zijn fauteuil. Borrel in de linkerhand, sigaar in zijn rechterhand. Zijn dag was goed als hij op zijn werk goede deals had gesloten en daarna in de kroeg een vrouw had gevangen.

“Het komt allemaal neer op doelgericht blijven, concentratie en je aanpassen.” zei hij dan, als hij thuis kwam uit de kroeg. Zijn stem was donker en bulderde door de kamer, zo diep en hard dat je vanzelf moest luisteren. Ik was altijd blij om die stem te horen, ook al vonden veel mensen zijn stem eng. Een buurvrouw noemde mijn vader eens “intimiderend”. Ik wist toen nog niet wat het betekende, intimiderend, maar ik wist wel al dat ik dat ook wilde zijn. Het geluid van mijn vaders stem verbrak de stilte en eenzaamheid na school, die eeuwen leek te duren, omdat mijn moeder er nooit was na school of met etenstijd. “Elke vrouw is uniek, zeggen ze, maar eigenlijk zijn ze allemaal hetzelfde; ze willen alleen het gevoel hebben dat je hen begrijpt. Hebben ze eenmaal dat gevoel, dan kun je alles met ze doen wat je maar wilt. Zolang ze maar het gevoel houden dat je hen begrijpt, knoop dat in je oren, jongen. Of je er iets van snapt is niet belangrijk, als je maar goed doet alsof.” Daarna moesten we altijd heel hard lachen. Toen ik jonger was wist ik nog niet precies waarom we dan moesten lachen, maar hoe ouder ik werd, hoe grappiger ik het vond.

Mijn moeder zou dit soort grapjes nooit begrepen hebben. Het is misschien niet netjes om te zeggen van je eigen moeder, maar ze was een zwakke, domme vrouw. Zij begreep immers niets van wat mijn vader zei. Ik begreep hem meestal probleemloos. Ik kon heel goed luisteren terwijl hij vertelde, dat vond hij altijd fijn. Dat zei hij niet, maar ik merkte het aan hoe kalm hij werd als hij vertelde. Ik werd dan zelf ook rustiger en hing aan zijn lippen. Oh, trouwens, nu ik toch eerlijk ben: nog zoiets wat je niet mag zeggen maar wel de waarheid is: mijn ma was een hoer. Mijn vader noemde haar zelfs lange tijd zo, nadat ze ons in de steek had gelaten. Als je van de ene op de andere dag je man en zoon achterlaat en nooit meer terug komt, tja, daar heb ik geen goed woord voor over.

Ik denk niet graag lang na over mijn moeder. Deed zij immers ook niet over mij hè, anders had ze me niet achter gelaten. Nooit meer iets van haar gehoord na die dag. Wat goed voor haar is, want als ze dat wel had gedaan, hadden haar zussen haar graf sindsdien kunnen bezoeken. Ik zei dat eens per ongeluk hardop,in een gesprek met een buurjongen toen ik een jaar of dertien was. Hij leek er nogal van te schrikken. Hij zei `Dat meen je toch niet echt?´. Toen zei ik, waarom zou ik iets zeggen wat ik niet echt meen? En ging ik de buurjongen vertellen op welke manieren ik haar allemaal om het leven zou kunnen brengen, zonder dat ik er voor gepakt kon worden. Ik voelde de adrenaline in mijn buik, net zoals wanneer ik er in mijn eentje over fantaseerde. Dan staarde ik naar het plafond vanuit mijn bed en fantaseerde ik over allerlei brute manieren om haar leven te beëindigen. Ik dacht er echt niet elk moment van de dag aan, hoor. Ik ben niet gek. Ik dacht er vooral ’s avonds laat aan, als ik weer eens niet kon slapen door dat rotte, knagende gevoel in mijn buik omdat ik dan dacht aan de laatste keer dat ik haar zag, de avond voordat ze vertrok. Toen kwam ze op de rand van mijn bed zitten, hield me vast en huilde. “Janken is een teken van zwakte!” riep mijn pa altijd naar haar als ze dat deed en hij haar er op betrapte. Ze fluisterde die avond woorden in mijn oor, maar ik kan me tot op de dag van vandaag niet herinneren wat ze zei.

Gelukkig werd de herinnering aan die avond steeds minder sterk. Uiteindelijk werd die herinnering zo vaag, dat ik me al een paar jaar – als ik heel dronken ben en ga mijmeren – afvraag of het eigenlijk wel écht gebeurd is.

Ik vertelde mijn buurjongen over de fantasieën op een zondag. Ik weet nog dat het een zondag was, omdat het toeval wilde dat hij op de maandag er na naar me toe kwam om te zeggen dat hij niet meer met me mocht spelen van zijn ouders. Hij vertelde wel er bij dat het verder niks met mij te maken had: hij had extra huiswerk lessen had gekregen, waardoor hij niet meer buiten kon spelen na school. Dat kon ik wel begrijpen; het was altijd wel al een langzame jongen. Een “slome zak”, zoals mijn vader hem noemde, toen hij eens bij ons thuis kwam spelen. Hij liep ook altijd wel heel traag. Als ik zo traag zou hebben gelopen had ik een trap onder mijn reet gekregen van pa.

Mijn vader hield er niet van als kinderen bij ons thuis kwamen. Hij werd dan heel nerveus, dus stopte ik maar met uitnodigen. Ik zwaaide nog wel eens naar mijn buurjongen, als ik hem zag lopen op straat. Dan zwaaide hij gehaast terug en rende hij snel weg, zelfs in een hele andere richting dan school. Vreemde snuiter. Ik ben op een gegeven moment maar gestopt met zwaaien, leek me voor iedereen prettiger. Ik hoop dat hij in de loop van zijn leven wel wat sneller is geworden. “Het is eten of gegeten worden, zoon. Vergeet dat nooit!” riep mijn pa altijd. Die buurjongen zal niet veel van zijn leven gemaakt hebben, als hij zo traag is gebleven. Sneu eigenlijk. Mijn buurjongen had eigenlijk een vriend zoals ik goed kunnen gebruiken, als voorbeeld zeg maar.

Anna negeerde me dus, de eerste weken. Maar na twee weken zag ik iets, wat een normaal mens met een normaal stel hersens compleet over het hoofd zou hebben gezien, maar waardoor ik wel wist dat ik beet had: ik liep haar kantoor binnen, begroette uitvoerig haar collega’s en keek toen naar haar. Toen gebeurde het: haar schouders verkrampten iets. Haar blik werd star. Ze hield haar adem in. Een reguliere vent zou dit nooit opmerken natuurlijk, maar ik zag het.

Ik zag het, en wist dat ze van mij zou zijn. Als ik maar geduld zou hebben.

 

Alle gepubliceerde hoofdstukken van Bodem lees je hier

Bodem – Hoofdstuk 3

Ik leerde Pascal elf jaar geleden kennen op kantoor. Ik werkte er als assistent, hij als accountmanager. De eerste tijd vond ik hem maar een gladjanus. Hij was altijd net iets té strak in het pak, had een te vlotte babbel en ik rolde regelmatig mijn ogen ongeveer het achter me gelegen kantoor in als hij bij ons – in de kamer waar de assistentes allemaal werkten – zijn dagelijkse praatje kwam houden. Ik vond hem maar een praatjesmaker, een player. Mijn eerste intuïtieve reactie op hem was niet positief.

Toch wist hij langzaam maar zeker mijn vertrouwen te winnen; ik denk door er simpelweg elke dag te zijn. Hij werd een vast onderdeel van de dag: hij kwam binnen, met glimmende schoenen en parelwitte glimlach, maakte een collega een compliment over haar outfit die dag, bewonderde de schoenen van een andere collega, en elke dag opnieuw eindigde hij zijn rondje bij mij. Ik ging er stiekem op rekenen. Elke dag was het ongeveer hetzelfde gesprek.

“Dag Anna, je bent nog steeds even mooi.”

“Hoi Pascal.”

“En nog stééds ben je niet onder de indruk van mijn onweerstaanbare charme? Pff, ik verlies mijn kracht! Anna, wat doe je me aan?”

“Dag Pascal.”

Tegen de anderen: “Horen jullie dat? Ijskoud is ze! Keihard! Ze ziet me niet eens staan.”

Waarop alle assistentes dan giechelden, ik mijn werk onvermurwbaar hervatte en hij afdroop. Na een paar weken moest ik er om lachen, alhoewel ik zijn gladheid en praatjes nog steeds niet vertrouwde – deze man kon je waarschijnlijk nooit vertrouwen – ging ik onbewust wél er op vertrouwen dat hij er elke dag was. Daar begon het – achteraf bezien – al fout te gaan.

Lange tijd ging dit spelletje redelijk onschuldig door. Pascal hield stug vol, hij bleef langskomen. Hij werd wel langzaam wat duidelijker: dan vond ik opeens tickets voor een concert die avond, of er verschenen op wonderbaarlijke wijze bloemen op mijn bureau. Ik gaf ze altijd terug, of – als hij ze weigerde terug te nemen – gaf ik ze aan collega’s.

Dat ging goed, tot de dag waarop ik slecht nieuws kreeg op mijn werk. Mijn zus belde me om te vertellen dat onze moeder in het ziekenhuis lag. Het ging niet goed met haar. Ik had net opgehangen, de tranen prikten achter mijn ogen. Pascal kwam net binnen en hij merkte aan mijn collega’s direct dat er iets gaande was. Voorzichtig benaderde hij mijn bureau. In plaats van het gebruikelijke gedraaikont en gevlei, vroeg hij met een zachte maar duidelijke stem aan de andere dames of ze ons heel even alleen wilden laten. Zij deden (natuurlijk) direct wat hij vroeg en hij sloot de deur. Voorzichtig ging hij op het bureau zitten, terwijl ik strak naar mijn beeldscherm bleef staren.

“Anna, is er iets ergs gebeurd?”

Ik bleef naar het beeldscherm staren. Tranen biggelden langs mijn wangen omlaag.

“Wil je er met me over praten?”

Ik hoorde een snik ontsnappen, en binnen twee seconden zat hij op zijn hurken naast me en hield mijn hand vast. Zijn normaal altijd zo strakke en gladde gezicht straalde nu rust en betrouwbaarheid uit, terwijl hij me recht aankeek en ik zijn blik ontweek. Snotterend en hakkelend vertelde ik hem van mijn moeder. Hij luisterde geduldig, begripvol, hield mijn hand vast. Hij maakte zich zelfs boos over het feit dat het ziekenhuis mijn moeder volgens hem niet juist behandeld had.

Onbegrijpelijk dat dit dezelfde man was, die me vanavond met een ijskoude blik het water in duwde, wetend dat ik niet kan zwemmen.

Bodem – Hoofdstuk 2

Op de avond die vooraf ging aan de avond dat mijn lichaam lag te verdrinken in het koude water, baande zich een herinnering uit mijn jeugd een weg naar het oppervlakte terwijl ik in bed lag. Ik lag op mijn rug naar het plafond te staren met een fikse hoofdpijn. Ik liet de herinnering terug komen, misschien omdat ik te moe was om er tegen te vechten.

Ik heb niet veel herinneringen van mijn jeugd. Een van de weinige herinneringen die ik heb, is de herinnering die zich nu afspeelde voor mijn ogen: die van de oude schommel op het veld in de buurt van ons huis. Ik zat er elke dag op. Het was een van mijn favoriete dagelijkse bezigheden. Ik vond het gevoel van schommelen fijn, ik maakte mijn benen altijd extra lang om zo hard mogelijk te gaan. De houten balk er boven kraakte bij iedere zwaai. Dat kraken vond ik een geruststellend geluid; ik dacht dan aan alle keren dat de schommel gezwaaid had, doordat er kinderen op zaten zoals ik. Dan bedacht ik hoe het hout met elke zwaai een beetje doorzakte, maar een fractie van een millimeter. Het doorzakken van de balk zou met zo’n minimale bewegingen gaan dat je het met het blote oog niet zag gebeuren. Je zou het niet zien gebeuren totdat die dikke balk op een dag simpelweg zou doorbreken, ogenschijnlijk net zo makkelijk als een takje tussen je vingers.

Ik vroeg me vaak af wanneer de dag zou komen dat de balk definitief zou zwichten. Wanneer die laatste zwaai zou komen, waarna de balk het zou begeven en het hele ding in een klap in elkaar zou storten. Ik vroeg me af welk kind er op zou zitten als dat gebeurde; soms fantaseerde ik dat het kind dat mij zo pestte op school er op zou zitten, maar vaker fantaseerde ik dat ik het zelf zou zijn. Dan zag ik mezelf, vrolijk schommelend, totdat er een hard, krakend geluid over het veld zou klinken, gevolgd door een doffe klap. Hoe een buurvrouw die net haar Fifi hondje zou uitlaten – want zo’n hondjes horen Fifi te heten – hard zou gillen bij mijn aanblik. Hoe de andere buren, bruut verstoord tijdens het lezen van hun ochtendkrant en dus wat geïrriteerd – maar toch nieuwsgierig genoeg – naar buiten zouden komen en me zouden zien liggen, hoe de ambulance zou worden gebeld en dat ik dan zou eindigen als een verhaal, het meisje dat maar acht jaar werd omdat ze haar nek brak toen ze van de schommel vloog, omdat niemand had gezien dat de balk verrot was. De buren zouden zich schuldig voelen om hun onoplettendheid – het had hun kind immers ook kunnen overkomen! – en zouden in allerijl een zondebok zoeken. Waarschijnlijk zou de schuld dan via de buurtvereniging richting de gemeente worden geschoven. Ja, wellicht zou zelfs de burgemeester zich er over uitspreken en natuurlijk zou er snel een nieuwe speeltuin worden gemaakt. De buren zouden er “Schánde!” van spreken dat die schommel niet al lang vervangen was, zouden elkaar aantikken en vragen “Jij hebt het zeker ook nooit gezien hè?” want dan hadden ze een reden om zichzelf weer in slaap te sussen (van al die keren dat ze wel gezien hadden dat die balk rot was en ze er niets mee hadden gedaan of het simpelweg weer waren vergeten, of in het beste geval omdat ze zich schuldig voelden dat ze het echt niet hadden opgemerkt).

De hele godvergeten ingeslapen buurt zou opeens in rep en roer zijn, verwilderd om zich heen kijkend en uiteindelijk zou met de komst van een nieuwe speeltuin – als een magische pleister op de wond – de schommel en de herinnering naar de achtergrond verdrongen worden. Dan zou iedereen weer rustig kunnen slapen. De enige die het niet zou kunnen vergeten was Fifi, die telkens heel hard ging blaffen als haar baasje met haar langs de plek van de schommel liep, dus ging de buurvrouw maar een andere vaste route met Fifi lopen.

De oude schommel zou vervangen zijn door het tegenovergestelde van wat er eerst was, namelijk een splinternieuwe speeltuin met alle toeters en bellen, waar heel veel kinderen wél veilig in zouden spelen. Opeens zouden er ook bankjes staan waar ouders konden zitten om toezicht te houden. Dankzij het meisje van de schommel, die haar nek brak omdat niemand op haar of de schommel had gelet.

Terwijl de balk boven me kraakte hoopte ik vaak stiekem dat het zou gebeuren. Ergens wenste ik dat die verdomde balk maar gewoon zou knappen, en dan maar meteen als ik op het hoogste punt schommelde. Want als het mis zou gaan, zouden de mensen om me heen eindelijk weten wie ik was, zouden ze me zien.

Ik piekerde me suf op die schommel en de balk kraakte door, door al die kinderen die voor mij gingen. Ik wilde altijd alleen maar heel graag bij hen horen. Als ik zo zat te fantaseren werd ik dan eerst heel blij en daarna direct heel verdrietig, omdat ik me schuldig voelde juist door die gedachten en wist dat ik helemaal niet was zoals die andere kinderen, en dat ook nooit zou worden. Ik schaamde me dan diep voor wat ik gefantaseerd had en stapte van de schommel af, gaf er dan soms een harde trap tegen voordat ik naar huis liep.

Misschien herinner ik me weinig van wat er vroeger gebeurde vanwege dit soort herinneringen die me een naar gevoel bezorgen, dacht ik, terwijl ik in bed lag met dat oude onheilspellende paniekgevoel dat zich om mijn borst klemde. Of misschien herinner ik me weinig van vroeger, simpelweg omdat er weinig te herinneren valt.

Waarschijnlijk komt het gewoon omdat ik niet zo’n bijzondere jeugd heb gehad, suste ik mezelf, terwijl ik op mijn zij ging liggen om het beklemmende gevoel op mijn borst te doen afnemen. Laat de slaap nu maar komen. Ik was al dagen moe en onrustig en mijn hoofd barstte van de hoofdpijn. Ik voelde me alsof er iets heel naars ging gebeuren, dat had ik van kinds af aan al af en toe. Laat ik maar gewoon goed luisteren naar mijn lijf en rust nemen, want mijn hersens voelden ondertussen aan alsof ze uit mijn hoofd wilden ontsnappen. Ik draaide me nog een keer om en viel in een diepe slaap vol dromen, die ik me ook al nooit kan herinneren, de dag er na.

Ik sliep zo vast dat ik niet eens had gehoord dat Pascal die avond naast me in bed kroop. Normaliter werd ik dan altijd even wakker, maar hij verzekerde me dat hij naast me was komen liggen. Ik had zo vast geslapen door mijn hoofdpijn dat ik hem niet eens had gehoord, zei hij. Ik moest echt eens meer rust nemen.

 

Alle gepubliceerde hoofdstukken van Bodem lees je hier

Bodem – Hoofdstuk 1

Als je in het water gegooid wordt, maar je kunt al zwemmen, dan is dat doorgaans niet erg. Je hebt immers al leren zwemmen; je weet welke bewegingen je armen en benen moeten maken om vooruit te komen. Je weet wanneer je naar lucht moet happen en hoe lang je onder water kunt blijven zwemmen.

Kortom: op het moment dat je lichaam het water raakt, weet je lichaam automatisch al wat het moet doen om niet te verdrinken. Omdat je het geleerd hebt, net als lopen en fietsen.

Ik werd op die mistige winteravond in het water gegooid, maar ik kon niet zwemmen. Dat wist hij ook. Ik dacht: dit wordt mijn dood, als niemand me redt. Dat wist ik zodra ik er in gegooid werd. Paniek sloot zich om mijn hart, mijn hoofd vulde zich met angst. Terwijl ik ongecontroleerd naar lucht hapte, sloegen mijn armen en benen wild om me heen. Instinctief deed ik alleen datgene wat niet hielp. Roepen om hulp – het enige dat wellicht nog wat nut had gehad – lukte me niet.

Het gekke is dat de gedachte aan de dood me op dat moment niet eens zo bezig hield. Er was in mijn hoofd alleen ruimte voor de verwarring en het ongeloof, dat uitgerekend hij dit gedaan had.

 

Alle reeds gepubliceerde hoofdstukken van Bodem kun je hier lezen.