Categorie archief: Bodem

Bodem – Hoofdstuk 7

Ik ontdekte pas dat Pascal een bewogen verleden had, toen we al een half jaar samenwoonden. Ik zat op een doordeweekse avond op de bank met een kop thee toen ik een melding kreeg op mijn telefoon. “Joyce Stevens stuurt u een berichtverzoek.” Ik wist niet wie ze was, maar accepteerde haar verzoek, omdat ik nieuwsgierig was.

“Hallo,” kwam het bericht binnen op messenger.

“Hoi.” stuurde ik terug.

Het bleef lang stil. Ik werd nog nieuwsgieriger.

“Je kent me niet, maar ik ben een ex van Pascal. Ik wil je voor hem waarschuwen.”

Waarschuwen? Ex van Pascal? Razendsnel groef ik in mijn geheugen. Ik was al nooit sterk in namen, maar ik wist het bijna zeker: Hij had het nooit over een Joyce gehad.

Een naar gevoel bekroop me.

“Eh, oké…” stuurde ik terug.

Ik zag dat ze terug begon te typen. Wederom duurde het ellendig lang. Ik werd steeds nerveuzer en was blij dat Pascal niet thuis was. Hij moest overwerken en zou pas over een half uurtje thuis komen.

“Ik hoop dat je hem niet vertelt dat ik je dit stuur. Ik stuur dit om jou te waarschuwen. Pascal is agressief, gevaarlijk en hij gaat vreemd bij de vleet. Pas op jezelf. Je bent niet de eerste en niet de laatste.”

Gevaarlijk.. agressief? Zo was Pascal helemaal niet! Ik kende hem alleen als lief en zorgzaam. Ik voelde me meestal juist een prinses bij hem, hij droeg me op handen. En dit moest ik dan maar aannemen van een ex die ik niet eens kende?

“Bedankt, maar zo ken ik Pascal helemaal niet.”

Misschien was het zo’n ex die boos was omdat het uit was, dacht ik.

“Dan ken je Pascal nog niet. Stap er uit, echt, voordat het te laat is.” schreef ze, en drie seconden er na was ze weg. Ik kon niets meer terug sturen: ze had me geblokkeerd.

Ik voelde me heel ellendig. Mijn handen begonnen te trillen. Snel wiste ik het gesprek uit mijn lijst.

Toen Pascal thuis kwam, zei ik voorzichtig dat ik benaderd was door ene Joyce. Hij stond aan het aanrecht een fles bier open te maken en bij het horen van haar naam verstarde hij – het was maar een fractie van een seconde. Toen trok hij zijn schouders op.

“Ik was er al bang voor. Die heeft altijd al een obsessie gehad. Blokkeren die handel, liefje.”

“Dat hoeft niet; ze heeft mij al geblokkeerd.” grapte ik.

Hij draaide zich om, liep naar me toe en zei met een iets hardere stem: “Ik zei, blokkéren die handel.” Zijn blik was opeens ijskoud; zo had ik hem nooit eerder zien kijken.

“Oh, oké..”

Hij merkte dat ik schrok en ontdooide snel weer.

“Liefje, luister even naar me. Die Joyce is een borderliner met een obsessie. En die heeft ze helaas voor mij. Ze heeft me nooit vergeven dat ik het uitmaakte. Je wil niet weten op hoe veel manieren ze me bleef lastig vallen nadat ik het uit had gemaakt. Ze is niet helemaal goed bij haar hoofd, schatje. Het is echt beter als je haar blokkeert, anders gaat ze mij via jou blijven stalken. En ik wil niet dat jij last van haar krijgt. Echt.”

Hij wachtte niet eens af of ik ja of nee zou zeggen, tilde me snel op en kuste me. Hij draaide me rond in de woonkamer zoals hij dat zo vaak deed en ik moest weer vreselijk hard lachen. Gerustgesteld kroop ik tegen hem aan op de bank om een film te kijken.

Toch sliep ik amper, die nacht. Ik werd een aantal keren geschrokken wakker, pakte mijn telefoon, keek naar het scherm van Facebook, maar ik blokkeerde Joyce niet.

Als ze echt nog eens zou beginnen zou ik dat wel doen, dacht ik, voordat ik weg zakte in een onrustige slaap.

Bodem – Hoofdstuk 8

Ik voelde niets, toen ik Anna het water in duwde.

Het spartelen en happen naar lucht bezorgde me wel bijna een lachstuip, maar dat kon ook komen omdat ik net nog gesnoven had, op het toilet van het restaurant. Wellicht ook van de zenuwen, want deze keer ging ik wel een stap verder dan ooit tevoren. Ik wist dat ik tot veel in staat was, maar niet dat ik dit zou kunnen, en al helemaal niet zonder iets te voelen.

Nadat ik haar het water in duwde stond ik even stil. Ik keek op mijn horloge. Na een minuut liep ik weg. Ik had het koud en verborg mijn gezicht in mijn kraag; ik moest snel een kroeg vinden.

Ze had niet moeten gaan graven, dan was dit allemaal niet nodig geweest. Als ze gewoon was gebleven zoals ze dat eerste jaar was, goedgelovig en naïef, een beetje dommig, dan was er niks aan de hand geweest. Maar nee, uiteindelijk gaan ze graven. Allemaal. Het lijkt wel een collectief ritueel; ze zien eerst alleen het beste in je, maar na verloop van tijd zoeken ze allemaal iets om over te zeiken. Bij een normale man vinden ze dan wellicht iets onbenulligs. Dat hij te veel bier drinkt, of lui is. Aangezien ik geen normale man ben, schrikken ze zich dood als ze ontdekken wie ik echt ben.

Het is bijna om te lachen.

Meestal gaf ik dan gewoon wat waarschuwingen af, zodat ze zich uiteindelijk vanzelf gedeisd houden en uiteindelijk er vandoor gaan. Wat dat betreft was Anna de eerste die niet ophield. Die alles ontdekte. Toen ze zag wat ik allemaal op mijn kerfstok had – ik wist meteen wanneer ze het wist, dat merk je aan het witte kleurtje en de stilte – ging ze nog verder graven. Ze beet zich vast in mijn verleden, alsof ze ergens een antwoord zou vinden. Misschien zelfs een oplossing. Kinderlijk naïef eigenlijk, want er is geen oplossing. Ik had bijna medelijden met haar; ze bleef maar zoeken naar het waarom en naar oplossingen. Maar al snel vond ik het vooral heel irritant. Dat heb ik haar ook verteld tijdens ons laatste avondmaal; Je moet kappen met dat graven en zoeken, ik ben wat je ontdekt hebt. Ik ben niet te redden. Al zeker niet door jou. Haar tranen en stem irriteerden me mateloos, terwijl ze maar door bleef zagen.

Zoals zo vaak deed ze me weer aan mijn moeder denken: betrokkenheid veinzen, terwijl ik heel goed wist dat ze uiteindelijk zou doen wat ze allemaal doen: de benen nemen. Dat doen ze uiteindelijk, allemaal. Maar Anna was anders dan anderen. Ze had een extreem sterk geweten. Ik zag het aan haar gezicht. Ze zou me verlaten, uiteindelijk, maar dan zou ze toch bezwijken onder wat ze allemaal van me wist. Ze zou gaan praten, met vriendinnen, haar moeder, collega’s. Alles wat ik al die jaren zo zorgvuldig opgebouwd had zou in één klap kapot gaan, omdat zij haar mond niet zou kunnen houden. Terwijl ze nerveus aan haar servet bleef friemelen, moest ik de grootste moeite doen om haar niet ter plekke een hengst te verkopen. Ze kon nog zo goedgelovig denken dat er hulp was voor me, dat ik kon “helen”, ik wist dat het niet mogelijk was. Ze zag nog hoop, en dat zou me de kop gaan kosten.

Razendsnel bedacht ik hoe ik hier een eind aan kon maken. Mijn kop werkte niet mee. Ik wilde zo snel mogelijk weg uit dat klote restaurant, waar ik niet kon nadenken. Ik wil weg, dacht ik, en zij moet ook weg. Ik zou haar kunnen dumpen, maar dan nog zou ze actie ondernemen. Ze hield van me, dat wist ik. Ze voelde dingen die ik nooit kon voelen. Daarom zou ze me niet opgeven. Zou ze alles kapot maken. Terwijl ik haar in haar jas hielp, zag ik dat ze rilde. Toen we naar buiten liepen, werd ik heel rustig. We liepen langs de waterkant richting de parkeergarage. Ik wist wat ik ging doen. Ze was al jaren moed aan het verzamelen om zwemles te nemen, maar het was nooit gelukt. Ze schaamde zich dat ze als volwassene niet kon zwemmen. Verderop kwam een rustig stuk, een paar honderd meter voor de parkeerplaats. Als daar geen mensen zouden lopen, zou ik haar met het grootste gemak het water in kunnen duwen. Ik ging links naast haar lopen en pakte haar hand vast. Dat laatste deed ik niet meer vaak, dus keek ze me wat verbaasd aan. Met moeite ko

n ik nog een glimlach er uit persen. “Het eten was lekker, vind je niet?”

“Ja, het was heerlijk.” antwoordde ze vertwijfeld.

Toen we langs het stuk liepen waar het rustig was, keek ik snel om me heen. Er was niemand. In de verte hoorde ik mensen een kroeg uit lopen, maar dat was ver weg genoeg. Als ik het ga doen, moet het nu, dacht ik, en ik dacht aan al die keren dat ik er over fantaseerde hoe ik mijn moeders leven zou beëindigen. Als ik daar over fantaseerde, werd ik altijd heel opgewonden en nerveus. Nu was ik kalm.

Ik dacht aan alles wat Anna me af zou nemen met haar geweten; mijn carrière, mijn vrijheid, mijn geld. Ik nam een diepe teug adem en verstrakte mijn grip om haar hand. Ze keek me direct aan, alsof ze wist wat er ging gebeuren.

Ik stopte met lopen.

“Wat is er, Pascal?” Ze keek me angstig aan.

“Ik moet dit doen.” Ze wilde iets terug zeggen, maar ik duwde al. En hard. Ze struikelde achteruit, wankelde even op de rand. Haar mond ging open, ze sloeg wild met haar armen. Ik keek haar aan. Ze had beter kunnen weten. Met een stille plons viel ze in het water.

Een uur later stond ik in een kroeg, ik had bijna al mijn contant geld uitgegeven aan wodka. Een of andere scharrel die ik ooit eens mee naar huis had genomen zat op mijn schoot en tetterde in mijn oor. Ze rook niet naar Anna, ze rook naar goedkope wijn. Ik zag telkens Anna´s gezicht voor me. Dat irriteerde me. Maar ergens was ik ook opgelucht en blij dat het me gelukt was. Ik was veilig. Althans, voor nu. Ik had het ergste gedaan, na al die jaren denken dat ik zoiets niet zou kunnen. Ik dacht dat zelfs ik een grens had. Blijkbaar niet. Alles was verloren, en dat gaf me een rustig gevoel. Het was nu kop of munt: of Anna´s dood zou me achtervolgen en ik zou alles kwijt raken, of ik zou door kunnen leven zoals ik altijd leefde. Maar zolang ik nog kon leven zoals ik dat altijd deed, moest ik dat ook maar goed doen, bedacht ik, terwijl ik van mijn barkruk af stapte en wankelde. Ik moest eerst maar eens een nacht slaap hebben, morgen zou ik weer helder kunnen denken. De coke en de alcohol maakten me alleen maar suf en in de war.

Ik liep de kroeg uit en belde een taxi. Vanavond is niet de avond om dronken achter het stuur betrapt te worden, zo helder was ik nog. Terwijl ik stond te wachten op de taxi, voelde ik een hand op mijn schouder. Het was dat irritante mens uit de kroeg. Ze wilde met me mee, natuurlijk.

“Vanavond niet, schatje.” zei ik, en ik schonk haar nog een glimlach.

“Niet? Vond je het vorige keer niet fijn dan?”

Vorige keer, ik wist niet eens meer wanneer dat was. Ik kon me alleen herinneren dat ze het prettig vond dat ik hardhandig ben. Veel vrouwen vinden dat prettig, heb ik gemerkt. Maar ze zullen het nooit toegeven. “Jawel liefje, maar ik ga nu naar huis.” zei ik nog schappelijk, maar ze bleef aan me plakken. Haar handen verdwenen onder mijn jas, ze probeerde me in mijn nek te kussen, precies op de plek waar Anna me altijd kuste, voordat ze ontdekte wie ik was.

“Ik zei, ik ga nu naar huis.” zei ik, en ik duwde haar – nog veel harder dan Anna – van me weg.

Ze vloog haast door de lucht, viel wat ongelukkig tegen een paaltje aan. Jammerend van schrik en pijn lag ze daar, met haar veel te korte rokje opgekropen tot in haar taille. “Wat ben jij voor beest!” schreeuwde ze.

Ik liep weg, ik zou wel ergens anders wachten op een taxi.

“Na vanavond zal alles anders zijn.” zei ik nog tegen de taxichauffeur.

“You speak English?” antwoordde hij.

Alle gepubliceerde hoofdstukken van Bodem lees je hier