Bodem-4: PASCAL

Ik wist vanaf dag één dat het niet vanzelf zou gaan. Maar ik wist ook dat het me uiteindelijk zou lukken. Anna deed alsof ze me niet zag staan. Als ik het kantoor van de assistentes binnen wandelde, keek iedereen op, behalve Anna. Eerst was ik even van slag: zou het bij haar niet werken? Zou ze lesbisch zijn? Zou ze al verliefd zijn op iemand anders? Nee. Dit – mijn gave – had altijd gewerkt: ik had eerder onzinnige obstakels zoals geaardheid en verliefdheden op andere mensen overwonnen. Vrouwen raken nu eenmaal verslaafd aan me, zonder dat ze dat zelf in de gaten hebben. Als ze eenmaal van me geproefd hebben, willen ze niemand anders meer, ongeacht hoe verliefd ze ook waren op hun partner voor mij. Toegegeven, soms duurt het even. Soms moet ik geduld hebben, soms moet ik juist wat angst inboezemen, soms moet ik partners bedreigen, soms moet ik de pias uithangen, maar uiteindelijk vallen ze allemaal voor me. Ik weet hoe het spel werkt; ik heb het geleerd van de meester en ik heb het me eigen gemaakt.

Ik benaderde Anna zoals een verzorger een schichtig dier benadert op de eerste dag in het nieuwe verblijf van de dierentuin; voorzichtig, vriendelijk, kalm, vanaf een gepaste afstand. Zo win je het vertrouwen van zelfs het schuwste dier, zei mijn vader altijd. Hij was een begaafd jager, maar al lang niet meer op dieren. Op dieren jagen deed hij alleen nog voor de ontspanning. Vrouwen waren de beste prooien, volgens pa. Ik besloot de tijd te nemen; Anna was geen vrouw waarbij je te snel moest gaan. Ze moest wennen, aan mij, mijn aanwezigheid, mijn geur. Een prooi vangen is pas echt leuk als je veel moeite hebt gedaan om het op te jagen, om het vervolgens toch te vangen. Nog zo’n wijsheid die ik van mijn vader meegekregen heb. Ik heb al van kinds af aan een enorm respect voor mijn vader. Hij was succesvol, ontzettend goed in vrouwen vangen en hij heeft me – zoals hij dat noemde – de ‘kneepjes van het vak’ geleerd. Ik zie hem nog zitten, in zijn fauteuil. Borrel in de linkerhand, sigaar in zijn rechterhand. Zijn dag was goed als hij op zijn werk goede deals had gesloten en daarna in de kroeg een vrouw had gevangen.

“Het komt allemaal neer op doelgericht blijven, concentratie en je aanpassen.” zei hij dan, als hij thuis kwam uit de kroeg. Zijn stem was donker en bulderde door de kamer, zo diep en hard dat je vanzelf moest luisteren. Ik was altijd blij om die stem te horen, ook al vonden veel mensen zijn stem eng. Een buurvrouw noemde mijn vader eens “intimiderend”. Ik wist toen nog niet wat het betekende, intimiderend, maar ik wist wel al dat ik dat ook wilde zijn. Het geluid van mijn vaders stem verbrak de stilte en eenzaamheid na school, die eeuwen leek te duren, omdat mijn moeder er nooit was na school of met etenstijd. “Elke vrouw is uniek, zeggen ze, maar eigenlijk zijn ze allemaal hetzelfde; ze willen alleen het gevoel hebben dat je hen begrijpt. Hebben ze eenmaal dat gevoel, dan kun je alles met ze doen wat je maar wilt. Zolang ze maar het gevoel houden dat je hen begrijpt, knoop dat in je oren, jongen. Of je er iets van snapt is niet belangrijk, als je maar goed doet alsof.” Daarna moesten we altijd heel hard lachen. Toen ik jonger was wist ik nog niet precies waarom we dan moesten lachen, maar hoe ouder ik werd, hoe grappiger ik het vond.

Mijn moeder zou dit soort grapjes nooit begrepen hebben. Het is misschien niet netjes om te zeggen van je eigen moeder, maar ze was een zwakke, domme vrouw. Zij begreep immers niets van wat mijn vader zei. Ik begreep hem meestal probleemloos. Ik kon heel goed luisteren terwijl hij vertelde, dat vond hij altijd fijn. Dat zei hij niet, maar ik merkte het aan hoe kalm hij werd als hij vertelde. Ik werd dan zelf ook rustiger en hing aan zijn lippen. Oh, trouwens, nu ik toch eerlijk ben: nog zoiets wat je niet mag zeggen maar wel de waarheid is: mijn ma was een hoer. Mijn vader noemde haar zelfs lange tijd zo, nadat ze ons in de steek had gelaten. Als je van de ene op de andere dag je man en zoon achterlaat en nooit meer terug komt, tja, daar heb ik geen goed woord voor over.

Ik denk niet graag lang na over mijn moeder. Deed zij immers ook niet over mij hè, anders had ze me niet achter gelaten. Nooit meer iets van haar gehoord na die dag. Wat goed voor haar is, want als ze dat wel had gedaan, hadden haar zussen haar graf sindsdien kunnen bezoeken. Ik zei dat eens per ongeluk hardop,in een gesprek met een buurjongen toen ik een jaar of dertien was. Hij leek er nogal van te schrikken. Hij zei `Dat meen je toch niet echt?´. Toen zei ik, waarom zou ik iets zeggen wat ik niet echt meen? En ging ik de buurjongen vertellen op welke manieren ik haar allemaal om het leven zou kunnen brengen, zonder dat ik er voor gepakt kon worden. Ik voelde de adrenaline in mijn buik, net zoals wanneer ik er in mijn eentje over fantaseerde. Dan staarde ik naar het plafond vanuit mijn bed en fantaseerde ik over allerlei brute manieren om haar leven te beëindigen. Ik dacht er echt niet elk moment van de dag aan, hoor. Ik ben niet gek. Ik dacht er vooral ’s avonds laat aan, als ik weer eens niet kon slapen door dat rotte, knagende gevoel in mijn buik omdat ik dan dacht aan de laatste keer dat ik haar zag, de avond voordat ze vertrok. Toen kwam ze op de rand van mijn bed zitten, hield me vast en huilde. “Janken is een teken van zwakte!” riep mijn pa altijd naar haar als ze dat deed en hij haar er op betrapte. Ze fluisterde die avond woorden in mijn oor, maar ik kan me tot op de dag van vandaag niet herinneren wat ze zei.

Gelukkig werd de herinnering aan die avond steeds minder sterk. Uiteindelijk werd die herinnering zo vaag, dat ik me al een paar jaar – als ik heel dronken ben en ga mijmeren – afvraag of het eigenlijk wel écht gebeurd is.

Ik vertelde mijn buurjongen over de fantasieën op een zondag. Ik weet nog dat het een zondag was, omdat het toeval wilde dat hij op de maandag er na naar me toe kwam om te zeggen dat hij niet meer met me mocht spelen van zijn ouders. Hij vertelde wel er bij dat het verder niks met mij te maken had: hij had extra huiswerk lessen had gekregen, waardoor hij niet meer buiten kon spelen na school. Dat kon ik wel begrijpen; het was altijd wel al een langzame jongen. Een “slome zak”, zoals mijn vader hem noemde, toen hij eens bij ons thuis kwam spelen. Hij liep ook altijd wel heel traag. Als ik zo traag zou hebben gelopen had ik een trap onder mijn reet gekregen van pa.

Mijn vader hield er niet van als kinderen bij ons thuis kwamen. Hij werd dan heel nerveus, dus stopte ik maar met uitnodigen. Ik zwaaide nog wel eens naar mijn buurjongen, als ik hem zag lopen op straat. Dan zwaaide hij gehaast terug en rende hij snel weg, zelfs in een hele andere richting dan school. Vreemde snuiter. Ik ben op een gegeven moment maar gestopt met zwaaien, leek me voor iedereen prettiger. Ik hoop dat hij in de loop van zijn leven wel wat sneller is geworden. “Het is eten of gegeten worden, zoon. Vergeet dat nooit!” riep mijn pa altijd. Die buurjongen zal niet veel van zijn leven gemaakt hebben, als hij zo traag is gebleven. Sneu eigenlijk. Mijn buurjongen had eigenlijk een vriend zoals ik goed kunnen gebruiken, als voorbeeld zeg maar.

Anna negeerde me dus, de eerste weken. Maar na twee weken zag ik iets, wat een normaal mens met een normaal stel hersens compleet over het hoofd zou hebben gezien, maar waardoor ik wel wist dat ik beet had: ik liep haar kantoor binnen, begroette uitvoerig haar collega’s en keek toen naar haar. Toen gebeurde het: haar schouders verkrampten iets. Haar blik werd star. Ze hield haar adem in. Een reguliere vent zou dit nooit opmerken natuurlijk, maar ik zag het.

Ik zag het, en wist dat ze van mij zou zijn. Als ik maar geduld zou hebben.

 

Advertenties

Columnist | Spreker | Spreuker | Interviewer

%d bloggers liken dit: