Bodem – Hoofdstuk 3

Ik leerde Pascal elf jaar geleden kennen op kantoor. Ik werkte er als assistent, hij als accountmanager. De eerste tijd vond ik hem maar een gladjanus. Hij was altijd net iets té strak in het pak, had een te vlotte babbel en ik rolde regelmatig mijn ogen ongeveer het achter me gelegen kantoor in als hij bij ons – in de kamer waar de assistentes allemaal werkten – zijn dagelijkse praatje kwam houden. Ik vond hem maar een praatjesmaker, een player. Mijn eerste intuïtieve reactie op hem was niet positief.

Toch wist hij langzaam maar zeker mijn vertrouwen te winnen; ik denk door er simpelweg elke dag te zijn. Hij werd een vast onderdeel van de dag: hij kwam binnen, met glimmende schoenen en parelwitte glimlach, maakte een collega een compliment over haar outfit die dag, bewonderde de schoenen van een andere collega, en elke dag opnieuw eindigde hij zijn rondje bij mij. Ik ging er stiekem op rekenen. Elke dag was het ongeveer hetzelfde gesprek.

“Dag Anna, je bent nog steeds even mooi.”

“Hoi Pascal.”

“En nog stééds ben je niet onder de indruk van mijn onweerstaanbare charme? Pff, ik verlies mijn kracht! Anna, wat doe je me aan?”

“Dag Pascal.”

Tegen de anderen: “Horen jullie dat? Ijskoud is ze! Keihard! Ze ziet me niet eens staan.”

Waarop alle assistentes dan giechelden, ik mijn werk onvermurwbaar hervatte en hij afdroop. Na een paar weken moest ik er om lachen, alhoewel ik zijn gladheid en praatjes nog steeds niet vertrouwde – deze man kon je waarschijnlijk nooit vertrouwen – ging ik onbewust wél er op vertrouwen dat hij er elke dag was. Daar begon het – achteraf bezien – al fout te gaan.

Lange tijd ging dit spelletje redelijk onschuldig door. Pascal hield stug vol, hij bleef langskomen. Hij werd wel langzaam wat duidelijker: dan vond ik opeens tickets voor een concert die avond, of er verschenen op wonderbaarlijke wijze bloemen op mijn bureau. Ik gaf ze altijd terug, of – als hij ze weigerde terug te nemen – gaf ik ze aan collega’s.

Dat ging goed, tot de dag waarop ik slecht nieuws kreeg op mijn werk. Mijn zus belde me om te vertellen dat onze moeder in het ziekenhuis lag. Het ging niet goed met haar. Ik had net opgehangen, de tranen prikten achter mijn ogen. Pascal kwam net binnen en hij merkte aan mijn collega’s direct dat er iets gaande was. Voorzichtig benaderde hij mijn bureau. In plaats van het gebruikelijke gedraaikont en gevlei, vroeg hij met een zachte maar duidelijke stem aan de andere dames of ze ons heel even alleen wilden laten. Zij deden (natuurlijk) direct wat hij vroeg en hij sloot de deur. Voorzichtig ging hij op het bureau zitten, terwijl ik strak naar mijn beeldscherm bleef staren.

“Anna, is er iets ergs gebeurd?”

Ik bleef naar het beeldscherm staren. Tranen biggelden langs mijn wangen omlaag.

“Wil je er met me over praten?”

Ik hoorde een snik ontsnappen, en binnen twee seconden zat hij op zijn hurken naast me en hield mijn hand vast. Zijn normaal altijd zo strakke en gladde gezicht straalde nu rust en betrouwbaarheid uit, terwijl hij me recht aankeek en ik zijn blik ontweek. Snotterend en hakkelend vertelde ik hem van mijn moeder. Hij luisterde geduldig, begripvol, hield mijn hand vast. Hij maakte zich zelfs boos over het feit dat het ziekenhuis mijn moeder volgens hem niet juist behandeld had.

Onbegrijpelijk dat dit dezelfde man was, die me vanavond met een ijskoude blik het water in duwde, wetend dat ik niet kan zwemmen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.